1. Een onzekere toekomst

Scenario’s zeespiegelstijging

Dat de opwarming van de aarde leidt tot een stijging van de zeespiegel, is een feit. Het is echter niet met zekerheid te zeggen hoe snel en hoeveel de zeespiegel stijgt. Dit is afhankelijk van een groot aantal factoren, bijvoorbeeld de verandering van zeestromingen en de snelheid van het smelten van de ijskappen op Groenland en Antarctica. De gevolgen hiervan voor de Nederlandse kust zijn ook onzeker. Het actuele deltascenario is gebaseerd op de KNMI’14 scenario’s en gaat uit van een zeespiegelstijging van 0,3 tot maximaal 1 meter in 2100 (KNMI, 2019). Ook wordt een zeespiegelstijging van 2 tot 3 meter in 2100 niet uitgesloten (KNMI, 2017).

Effecten zeespiegelstijging

De stijging van de zeespiegel heeft grote effecten op het watersysteem van ons land. Hogere waterstanden langs de kust en de rivieren leiden, zonder dijkverhogingen, tot grotere overstromingsrisico’s. Er is meer zand nodig om de Nederlandse kust op sterkte te houden en het intergetijdengebied van de Waddenzee met bijbehorende kwelders dreigt te verdrinken als de snelheid van zeespiegelstijging toeneemt boven de 6 à 10 mm per jaar (Deltares, 2018). Water uit polders moet naar een steeds hoger niveau worden weggepompt en de afwatering via rivieren en boezems naar zee wordt steeds moeilijker. Doordat tegelijkertijd de bodem verder daalt en de neerslag toeneemt is er een groter risico op wateroverlast in polders.

Grote effecten op het watersysteem en de beschikbaarheid van zoetwater

Zeespiegelstijging heeft ook effect op de zoetwaterbeschikbaarheid. Bij een stijgende zeespiegel treedt meer verzilting op in de benedenloop van de rivieren, wat onder andere gevolgen heeft voor drinkwaterinnamepunten en waterinlaten voor poldergebieden. Ook neemt de kweldruk toe waardoor zoutwaterindringing via de ondergrond (zoute kwel) meer kans krijgt. In laaggelegen gebieden met dunne veen- en kleibodems neemt door de toenemende kweldruk de kans toe op het opbarsten van sloot- en waterbodems. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt verzilting van de ondergrond, het grondwater en oppervlaktewater toe in een zone van grofweg 10 tot 15 kilometer langs de kust (Deltares, 2018). Dit effect wordt versterkt door toenemende droogte. Er ontstaat een grotere zoetwaterbehoefte voor landbouw, natuur en industrie, om bodemdaling tegen te gaan en voor het doorspoelen van watersystemen om de waterkwaliteit op peil te houden. In Zeeland maar ook in het Waddengebied zijn effecten op veel plekken nu al zichtbaar. In de toekomst zullen effecten in toenemende mate optreden in grotere landbouw-, glastuinbouw- en natuurgebieden in Zeeland, in de Biesbosch, in de kop van Noord-Holland en in Noord-Nederland (Oude Essink, 2007).

Steeds sneller, steeds meer

Een belangrijk kenmerk van zeespiegelstijging is dat deze steeds sneller zal verlopen. Dat betekent dat we ons in de toekomst steeds sneller moeten aanpassen om Nederland veilig te houden en om het leefklimaat en verdienvermogen in de toekomst te waarborgen. Dit figuur maakt dat treffend zichtbaar. In het scenario van 2 meter stijging in 2100 (de rode lijn), is er ongeveer 65 jaar de tijd om ons voor te bereiden op de eerste halve meter stijging. Voor de tweede halve meter is er vanaf dat moment ongeveer 20 jaar voorbereidingstijd en voor de volgende halve meter nog maar 10 jaar. Dit betekent een grote uitdaging voor de snelheid van besluitvorming en het beschikbaar maken van middelen om Nederland steeds sneller, en steeds ingrijpender aan te passen aan de stijgende zeespiegelstijging. Wellicht is deze uitdaging groter dan de technische uitdaging.

Vier oplossingsrichtingen

Om een beeld te vormen van mogelijke toekomstscenario’s heeft Deltares in opdracht van de Deltacommissaris vier oplossingsrichtingen ontwikkeld om ons land op lange termijn te beschermen tegen het stijgende zeewater.

1.

Beschermen gesloten

Nederland in de toekomst beschermen door de riviermondingen af te sluiten van de zee en het rivierwater af te voeren door middel van grote pompstations.

2.

Beschermen open

We beschermen Nederland met dijken en waterkeringen, waarbij we de vaarwegen zo veel mogelijk open houden door het bouwen van steeds hogere dijken en keringen om ons heen. Deze optie lijkt het meest op het huidige systeem.

3.

Zeewaarts

Nederland beschermen door een grote dam met gemalen in zee te leggen. Het rivierwater kan tijdelijk worden geborgen in het retentiemeer tussen de dam en de huidige kust, waarna het uitgepompt wordt richting zee.

4.

Meebewegen

Meebewegen met de zeespiegelstijging, waarin we delen van Nederland niet langer beschermen.

©Beeldleveranciers-Carof in opdracht van Deltares

Deze vier oplossingsrichtingen geven uitersten aan voor de ontwikkeling van Nederland. Welke oplossing we in de toekomst ook kiezen, één van de oplossingen of een combinatie, ze vragen een andere inrichting van Nederland. Het is daarom belangrijk om hier bij de inrichting van ons land rekening mee te houden en te voorkomen dat we vast komen te zitten in een situatie die geen mogelijkheden biedt voor aanpassing. Er is flexibiliteit en ruimte nodig voor het toekomstig versterken van waterkeringen, voor waterwerken en voor waterberging om verzilting en overstromingen te voorkomen.

Effect van zeespiegelstijging in poldergebieden in West-Nederland

In samenwerking met de TU Delft heeft Sweco de effecten van zeespiegelstijging in beeld gebracht voor een representatieve polder in West-Nederland. In de eerste 10 à 15 km langs de kust treedt op termijn verzilting op door een toename van zoute kwel en/of wellen en door verzilting van riviermondingen. Dit vraagt om een grotere doorspoelbehoefte om de polderwatersystemen voldoende zoet te houden. Mogelijk moet als gevolg hiervan op termijn het gebruik worden aangepast.

Bij een zeespiegelstijging groter dan 1 à 1,5 meter moeten afsluitbare riviermondingen zo vaak worden afgesloten dat de huidige keringen moeten worden vervangen door een alternatief (Deltares, 2018). Rivierafvoeren vertragen en rivierwaterstanden zullen stijgen, met name in pieksituaties. Hierdoor kunnen de boezemsystemen hun water minder goed en snel kwijt. Zonder aanvullende maatregelen neemt de kans op maalstops in de polders toe waardoor er tijdelijk geen water vanuit de polders op de boezem en rivieren kan worden uitgeslagen. Het effect van maalstops is naar verwachting echter klein in verhouding tot de bestaande wateroverlastnormen voor extreme neerslag.

Belangrijk is dat rekening wordt gehouden met een extra ruimtelijke opgave. In polders langs primaire en secundaire waterkeringen moet rekening worden gehouden met mogelijke toekomstige versterkingen om hogere waterstanden op te vangen. Dit komt bovenop de extra wateropgave voor het opvangen van piekneerslagen. In hoofdstuk 2 geven we indicatief aan om welk ruimtebeslag het gaat.

Gebaseerd op onderzoek van R. Frölke (Frölke, 2020), (OudeEssink, 2007), F.J. Oerle (Oerle, 2020) en (Rongen & Maaskant, 2019).